Geschatte leestijd: 2 minuten

De afgelopen maanden was het stervensdruk, zelfs bij Karel. Zo druk dat hij feitelijk veel te veel werk had aangenomen en nu dagen van meer dan 12 uur maakt. Mevrouw Karel (normaal zijn steun en toeverlaat) vroeg hem vorige week cynisch al wie hij was, toen hij ’s avonds om negen uur voor de zoveelste keer zijn eten in de magnetron stond op te warmen. Zijn dochter klaagde over gebrek aan aandacht (lees: het ontbreken van de mogelijkheid om extra (zak)geld te vragen).  En zijn favoriete neefje had hij al in tijden niet meer gezien of voorgelezen. Kortom, Karel snakte naar een adempauze.

Afgelopen week was Karel er even helemaal klaar mee. Hij was bij de zoveelste klant die dag, dit keer om een afgebroken wasbak te herstellen (zoonlief was er even lekker aan gaan hangen). Met zijn gereedschapskist bij de hand om het euvel te verhelpen, hoorde hij het kind doodleuk tegen hem zeggen: “Als jij zo weg bent, ga ik er lekker weer aanhangen en gaat papa jou weer bellen om het te laten repareren.”

Dat was de welbekende druppel die de emmer bij Karel deed overlopen. Hij stond op, griste een stoel en een stapel boeken uit de woonkamer van de klant en liep briesend terug naar de badkamer. Binnen 10 seconden stond hij vervolgens bij de voordeur, de klant naroepend: “ik kom over zes weken terug. De benodigde onderdelen zijn dan pas weer op voorraad. Tot die tijd kunt u de wastafel gewoon gebruiken hoor.”

“Zo, en nu is het tijd voor vakantie”, dacht Karel, terwijl hij zich in zijn auto naar huis spoedde.